Miljoenennota Titelbalk



hyperlinks
actueel
discussie

historie
analyses
buitenland

de plannen
beeld & geluid
beeld & geluid

Colofon
Adverteren

humor

Advocaat.nl

Kijkje in de toekomst

Mijn Partij voor u en wij

(Tekst geldend op: 23-02-2006)


Hoofdstuk 1. De begroting van het rijk

Paragraaf 1. De inrichting van de begroting en het begrotingsstelsel

Artikel 3

1.
Onder uitgaven en ontvangsten van een jaar worden verstaan:
a.
de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar;
b.
de niet-geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, bedoeld in
artikel 30, eerste lid;
c.
de verrekeningen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, die in dat jaar plaatsvinden;
d.
de toevoegingen en onttrekkingen aan een begrotingsreserve als bedoeld in artikel 5, vierde lid.
2.
Als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.
3.
In afwijking van het tweede lid kan als verplichting van een jaar worden opgenomen het bedrag dat in dat jaar als uitgave wordt geraamd met betrekking tot:
a.
salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen;
b.
de uitgaven, opgenomen in de begroting van nationale schuld;
c.
huren, pachten en soortgelijke periodieke verplichtingen;
d.
andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen categorieën verplichtingen.
4.
Onze Minister van Financiën doet aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de aangewezen categorieën verplichtingen.

Artikel 5

1.
De toelichting bij de begrotingsstaat biedt per beleidsartikel in elk geval inzicht in de met het beleid samenhangende:
a.
algemene en indien van toepassing nader geoperationaliseerde doelstellingen die worden nagestreefd;
b.
instrumenten die ter bereiking van die doelstellingen worden ingezet;
c.
meerjarig beschikbare bedragen voor het aangaan van verplichtingen;
d.
meerjarig beschikbare bedragen voor het verrichten van programma-uitgaven;
e.
meerjarig beschikbare bedragen voor het verrichten van apparaatsuitgaven;
f.
meerjarige bedragen die aan ontvangsten zijn geraamd.
2.
Het meerjarige inzicht dient, uitgaande van jaar t als begrotingsjaar, betrekking te hebben op het jaar t-2 tot en met het jaar t+4, dat wil zeggen op de periode lopende van twee jaar voorafgaand tot en met vier jaar volgend op het begrotingsjaar.
3.
De toelichting bij de begrotingsstaat bevat per beleidsartikel:
a.
doeltreffendheidsgegevens over de in het eerste lid bedoelde algemene en/of nader geoperationaliseerde doelstellingen, alsmede gegevens over de doelmatigheid van het beleid, alle al dan niet verkregen uit beleidsevaluatieonderzoek;
b.
waar mogelijk doelmatigheidsgegevens, al dan niet verkregen uit beleidsevaluatieonderzoek, voor de in het eerste lid bedoelde apparaatsuitgaven;
c.
informatie over de mate waarin de meerjarig beschikbare bedragen voor het verrichten van uitgaven juridisch verplicht of anderszins gebonden zijn;
d.
informatie over de veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming.
4.
Met toestemming van Onze Minister van Financiën kan ten laste van een beleidsartikel een meerjarige begrotingsreserve worden aangehouden.
5.
De toelichting bij een beleidsartikel ten laste waarvan een begrotingsreserve wordt aangehouden, vermeldt de motieven voor het aanhouden ervan en biedt inzicht in de omvang van de reserve, alsmede zo mogelijk in de toevoeging en of onttrekking aan de reserve die in het begrotingsjaar worden verwacht.

Artikel 6

1.
Een begroting kan drie niet-beleidsartikelen bevatten, te weten:
a.
een begrotingsartikel met de omschrijving Algemeen voor de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten die niet aan een beleidsartikel worden toegedeeld;
b.
een begrotingsartikel met de omschrijving Geheim voor de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten waarvoor geldt dat openbaarmaking via toedeling aan een beleidsartikel niet in het belang van de staat is;
c.
een administratief begrotingsartikel met de omschrijvingNominaal en onvoorzien.
2.
De bij het administratieve begrotingsartikel Nominaal en onvoorzien opgenomen bedragen voor verplichtingen en voor uitgaven kunnen zowel positief als negatief zijn.
3.
Ten laste van het begrotingsartikel Nominaal en onvoorzien kunnen geen uitgaven worden gedaan en verplichtingen worden aangegaan; de bedragen worden bij een wijziging van de begroting toegedeeld aan een ander begrotingsartikel en wel zodanig dat in het betrokken jaarverslag de gerealiseerde bedragen bij het begrotingsartikel Nominaal en onvoorzien uitkomen op nihil.
4.
De toelichting bij de begrotingsstaat biedt per niet-beleidsartikel meerjarig in elk geval inzicht in:
a.
de beschikbare bedragen voor het aangaan van verplichtingen;
b.
de beschikbare bedragen voor het verrichten van programma-uitgaven;
c.
de beschikbare bedragen voor het doen van apparaatsuitgaven;
d.
de bedragen die aan ontvangsten zijn geraamd.

Artikel 5, tweede lid, is van toepassing.

5.
In afwijking van het eerste lid en in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kan een begroting andere niet-beleidsartikelen bevatten.

Artikel 7

1.
De begroting van nationale schuld bevat de ramingen met betrekking tot:
a.
de uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit transacties op de financiële markten, voor zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben van langer dan één jaar;
b.
de mutatie per 31 december van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het voorgaande jaar in het saldo van uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit transacties op de financiële markten, voor zover die transacties een oorspronkelijke looptijd hebben van maximaal één jaar;
c.
de uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit door Onze Minister van Financiën met derden of met baten-lastendiensten aan te gane leningstransacties, voor zover die transacties door Onze Minister van Financiën niet worden geraamd op de departementale begroting van het Ministerie van Financiën;
d.
de mutatie per 31 december van het begrotingsjaar ten opzichte van 31 december van het voorafgaande jaar in het totaalsaldo van de rekeningen-courant, inclusief de daaraan gekoppelde termijndeposito's, die derden en baten-lastendiensten aanhouden bij 's Rijks schatkist;
e.
de uitgaven en ontvangsten aan rente, boete, kosten en provisie die voortvloeien uit de transacties, bedoeld onder b, alsmede uit de rekeningen-courant, bedoeld onder d;
f.
andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit vermogens- of financieringstransacties;
g.
de uitgaven en ontvangsten die voortvloeien uit het betalingsverkeer met betrekking tot de centrale kassen, bedoeld in
artikel 24, tweede lid;
h.
de uitgaven en ontvangsten van het personeel en het materieel met betrekking tot die begroting.
2.
De mutaties, bedoeld in het eerste lid, onder b en d, worden als uitgave of als ontvangst opgenomen in de slotwet van de begroting van nationale schuld.
3.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, worden onder renteuitgaven en rente-ontvangsten van een jaar in de begroting van nationale schuld niet verstaan de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, maar de rentekosten onderscheidenlijk de renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend.

Paragraaf 2. De baten-lastendiensten

Artikel 10

1.
Indien voor een dienstonderdeel van een ministerie een afwijkend beheer wenselijk is, kunnen Onze betrokken Minister en Onze Minister van Financiën, in afwijking van artikel 2, derde lid, besluiten aan dat dienstonderdeel toe te staan onder voorwaarden de begroting en de verantwoording in te richten op basis van een stelsel van baten en lasten.
2.
Een zodanig besluit wordt genomen in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad.
3.
Een zodanig besluit wordt niet eerder genomen dan 30 dagen nadat het voornemen daartoe schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
4.
Indien binnen deze termijn door of namens de Kamer of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Kamer de wens te kennen wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over het voorgenomen besluit, wordt het besluit niet eerder genomen dan nadat deze inlichtingen zijn verstrekt.
5.
Indien de Kamer binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving of binnen 14 dagen na het verstrekken van de bedoelde inlichtingen zich uitspreekt tegen het voorgenomen besluit, wordt het besluit niet genomen.
6.
Aan de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in het derde lid, kan worden ontleend in hoeverre aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, is voldaan.
7.
Onze betrokken Minister doet van een zodanig besluit kopie toekomen aan de Algemene Rekenkamer.

Artikel 11

1.
De betalingen aan een dienst die een baten-lastenstelsel voert, hierna te noemen: een baten-lastendienst, worden door het ministerie waaronder die dienst ressorteert, evenals de betalingen van een baten-lastendienst aan dat ministerie, door het ministerie ten laste onderscheidenlijk ten gunste van een of meer begrotingsartikelen gebracht.
2.
Een begroting bevat, naast de in artikel 4, eerste lid, bedoelde begrotingsstaat, voor de baten-lastendiensten die onder het betrokken ministerie ressorteren, een aparte staat met een daarbij behorende toelichting .
3.
In de aparte staat wordt voor elke baten-lastendienst opgenomen:
a.
het totaal van de geraamde baten en van de geraamde lasten;
b.
het geraamde saldo van baten en lasten;
c.
het totaal van de geraamde kapitaaluitgaven en van de geraamde kapitaalontvangsten.
4.
Tot de uitgaven en ontvangsten in een jaar van een baten-lastendienst en van een ministerie worden, behalve die bedoeld in artikel 3, eerste lid, ook gerekend de verrekeningen tussen de baten-lastendienst en het ministerie waaronder die dienst ressorteert.
5.
In afwijking van artikel 14, tweede lid, mogen alle wijzigingen in de bedragen, bedoeld in het derde lid van dit artikel, worden opgenomen als slotwetwijzigingen.

Paragraaf 3. Het tijdschema van de begroting

Artikel 13

Onze Minister van Financiën biedt op de in artikel 12, vierde lid, genoemde dag aan de Staten-Generaal de Miljoenennota aan. Daarin worden in elk geval opgenomen:

a.
beschouwingen over de budgettaire betekenis van het voorgenomen beleid voor het Rijk en voor andere onderdelen van de collectieve sector die als budgetdisciplinesector worden aangemerkt;
b.
beschouwingen over de betekenis van het voorgenomen beleid voor de volkshuishouding;
c.
ramingen voor het begrotingsjaar en de vier op het begrotingsjaar aansluitende jaren, volgens een door hem te bepalen mate van samenvoeging;
d.
het overzicht, bedoeld in artikel 15, tweede lid.

Paragraaf 4. Het wijzigen van de begroting

Artikel 14

1.
Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, zenden ontwerp-begrotingswijzigingen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 12, tweede, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Ontwerp-begrotingswijzigingen worden in elk geval ingediend met betrekking tot:
a.
de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in de Voorjaarsnota en wel gelijktijdig met die nota;
b.
nadere wijzigingen, tenzij boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de wijzigingen samenhangend met die bedoeld in de Miljoenennota en Najaarsnota, en wel gelijktijdig met de Najaarsnota;
c.
de slotwetwijzigingen, zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot opheffing van het resterende verschil tussen de begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op de derde woensdag van mei na afloop van het begrotingsjaar.

Het tweede lid van artikel 63 is van overeenkomstige toepassing.

3.
De toelichting bij een ontwerp-begrotingswijziging, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of b, wordt op overeenkomstige wijze opgesteld als de toelichting die op grond van de artikelen 5 en 6 is gegeven bij de desbetreffende ontwerp-begroting en sluit daarbij aan.

Paragraaf 5. Beleidsvoornemens met financiële gevolgen

Artikel 17

1.
Schriftelijke voorstellen, voornemens en toezeggingen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, bevatten in de toelichting daarbij een afzonderlijk onderdeel, waarin wordt ingegaan op:
a.
de doelstellingen die worden nagestreefd;
b.
de instrumenten die ter bereiking van de doelstellingen worden ingezet;
c.
de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren.
2.
In het afzonderlijk onderdeel van de toelichting wordt tevens aangegeven in hoeverre de financiële gevolgen voor het Rijk meerjarig zijn begrepen in de laatste bij de Tweede Kamer ingediende begroting.
3.
De doelstellingen en de financiële gevolgen worden zoveel mogelijk toegelicht met prestatiegegevens als bedoeld in artikel 5, derde lid.

Paragraaf 6. Nadere regelgeving

Artikel 18

1.
Onze Minister van Financiën stelt regels met betrekking tot:
a.
de voorbereiding, de wijziging en de inrichting van de begrotingen, alsmede met betrekking tot de wijze waarop de begrotingsramingen tot stand komen;
b.
de inrichting van het afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorstellen, voornemens en toezeggingen, bedoeld in
artikel 17, eerste lid.
2.
Onze Minister van Financiën bepaalt de criteria die gehanteerd worden voor het instellen van een begrotingsreserve als bedoeld in artikel 5, vierde lid, en stelt de voorwaarden vast voor de toevoeging en de onttrekking van gelden aan de reserve.
3.
Onze Minister van Financiën stelt zo nodig nadere regels met betrekking tot baten-lastendiensten in het algemeen, dan wel één of enkele baten-lastendiensten in het bijzonder.
4.
Onze Minister van Financiën kan regels stellen met betrekking tot de informatie die in de begroting wordt opgenomen over de zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in het vijfde lid, en over de rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet.
5.
In het vierde lid wordt verstaan onder zelfstandige bestuursorganen: bestuursorganen van de centrale overheid die bij de wet, krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag zijn bekleed, en die niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister.

Hoofdstuk II. Het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het rijk

Paragraaf 3.1 Het financieel beheer

Artikel 22

1.
Het financieel beheer voldoet aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid en wordt overigens zo doelmatig mogelijk ingericht.
2.
Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, beschikken met inachtneming van artikel 41, tweede lid, over de bedragen die voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven in die begrotingen zijn toegestaan.
3.
Over het bedrag toegestaan bij een begrotingsartikelNominaal en onvoorzien kunnen Onze Ministers slechts beschikken, voor zover dit bedrag met toepassing van artikel 14 aan de ramingen van andere begrotingsartikelen is toegevoegd.
4.
Onze Ministers wijzen aan wie namens hen kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
5.
In afwijking van het vierde lid wijzen de colleges, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, ieder met betrekking tot hun begrotingsdeel, aan wie kunnen beschikken over de toegestane bedragen.
6.
Onze Ministers doen aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van een aanwijzing.

Paragraaf 4. De boeking van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten

Artikel 28

1.
Elke verplichting en uitgaaf enerzijds en elke ontvangst anderzijds wordt op een begrotingsartikel onder de verplichtingen en de uitgaven, onderscheidenlijk de ontvangsten geboekt.
2.
Onze Minister van Financiën kan categorieën verplichtingen, uitgaven en ontvangsten aanwijzen, die op een rekening buiten het begrotingsverband kunnen worden geboekt, indien deze met een ander onderdeel van het Rijk dan wel met een derde worden verrekend.
3.
Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten geboekt op rekeningen buiten het begrotingsverband worden, indien verrekening achterwege blijft, geboekt ten laste dan wel ten gunste van begrotingsartikelen van het jaar, waarin blijkt dat geen verrekening zal plaatsvinden.
4.
In afwijking van het eerste lid:
a.
kunnen terugbetalingen aan het Rijk op eerder in hetzelfde jaar gedane uitgaven in mindering worden geboekt van die uitgaven;
b.
kunnen terugbetalingen door het Rijk van ontvangsten in mindering worden geboekt van de ontvangsten;
c.
kan, in geval een geldlening geheel of gedeeltelijk wordt aangegaan ter conversie van uitstaande schuld, het bedrag van de afgeloste schuld in vergelijking worden gebracht met de opbrengst van de nieuwe geldlening; een daarbij blijkend verschil wordt alsdan ten gunste of ten laste van de begroting geboekt.
5.
De boeking van de verplichtingen en de uitgaven geschiedt ten lastevan een begrotingsartikel in elk geval zodanig, dat aan de bijgehouden administraties onder meer kunnen worden ontleend:
a.
het deel van de raming van de aan te gane verplichtingen dat daadwerkelijk is aangegaan;
b.
het deel van de raming van de uitgaven dat daadwerkelijk tot uitgaven heeft geleid;
c.
per individueel aangegane verplichting het deel dat nog niet tot uitgaven heeft geleid;
d.
het deel van de raming van de uitgaven waarvoor nog geen verplichtingen zijn aangegaan.
6.
Onze Minister van Financiën doet aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de aangewezen categorieën, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 29

1.
Ter bepaling van het jaar ten laste of ten gunste waarvan een verplichting of een uitgaaf, onderscheidenlijk een ontvangst moet worden geboekt, is artikel 3, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.
In een jaar aangegane verplichtingen, die eerst na het sluiten van de boeken van dat jaar blijken, worden geboekt op het overeenkomstige begrotingsartikel in het dan lopende jaar.

Paragraaf 5. Het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het privaatrechtelijke beheer

Artikel 34

1.
Het oprichten of mede-oprichten, dan wel het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat zal niet eerder plaatsvinden dan 30 dagen, nadat van het voornemen daartoe door Onze betrokken Minister, in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad, schriftelijk mededeling is gedaan aan de Staten-Generaal.
2.
Het oordeel van de ministerraad wordt door Onze betrokken Minister niet gevraagd, dan nadat hij met de Algemene Rekenkamer overleg heeft gevoerd over de voorgenomen rechtshandeling.
3.
Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn door of namens een der Kamers van de Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over de voorgenomen rechtshandeling, zal deze niet eerder plaatsvinden dan nadat deze inlichtingen zijn verstrekt.
4.
Indien een van beide Kamers binnen 30 dagen na de schriftelijke mededeling of binnen 14 dagen na het verstrekken van de bedoelde inlichtingen, als haar oordeel uitspreekt dat de voorgenomen rechtshandeling een voorafgaande machtiging bij de wet behoeft, zal de rechtshandeling eerst plaatsvinden nadat die machtiging is verleend.
5.
Deelneming door de Staat in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de Staat ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt dan wel door die deelneming zal verkrijgen, zal, indien daarmede een groter financieel belang is gemoeid dan een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag, niet eerder plaatsvinden dan 30 dagen nadat van het voornemen daartoe aan de Staten-Generaal schriftelijk mededeling is gedaan.

Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

6.
Het vijfde lid is tevens van toepassing op verstrekking van in aandelen converteerbare leningen door de Staat aan een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de Staat ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft dan wel door die verstrekking zou verkrijgen in geval onmiddellijk conversie zou plaatsvinden, indien met die verstrekking een groter financieel belang is gemoeid dan een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag.
7.
Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing, indien de Staat met een deelneming of een verstrekking niet beoogt zijn relatieve belang in een in die leden bedoelde vennootschap alsdan of in de toekomst een verhoging te laten ondergaan.
8.
Van andere dan in het vijfde lid bedoelde deelnemingen, van andere dan in het zesde lid bedoelde verstrekkingen, van in het zevende lid bedoelde deelnemingen en verstrekkingen alsmede van het geheel of gedeeltelijk vervreemden van deelnemingen en van in aandelen converteerbare leningen door de Staat doet Onze desbetreffende Minister na het verrichten van de rechtshandeling schriftelijk mededeling aan de Staten-Generaal.

Hoofdstuk III. Het toezicht van onze ministers

Paragraaf 1. Het toezicht van Onze Minister van Financiën op de uitvoering van de begroting

Artikel 40

1.
Onze Minister van Financiën bepaalt welke gegevens hem ten behoeve van het toezicht, bedoeld in artikel 40, worden verstrekt.
2.
In het kader van het toezicht, bedoeld in artikel 40, kan Onze Minister van Financiën begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan geen verplichtingen mogen worden aangegaan, voordat hij daarmee heeft ingestemd.

Artikel 41

1.
Onze Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het toezicht op de inrichting van de administraties, bedoeld in artikel 21, tweede lid, en voor het toezicht op de wijze waarop deze worden bijgehouden.
2.
Onze Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het toezicht op de inrichting van de controle die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de begrotingen.

Artikel 42

1.
Onze Ministers verstrekken de inlichtingen die Onze Minister van Financiën voor de uitoefening van het toezicht, bedoeld in de artikelen 40 en 42, nodig heeft.
2.
Onze Ministers verlenen Onze Minister van Financiën te allen tijde toegang tot dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers.
3.
Onze Minister van Financiën wijst de ambtenaren aan die namens hem zijn belast met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel.

Paragraaf 2. Het toezicht op derden die collectieve middelen ontvangen en uitgeven

Artikel 43

1.
Onverminderd het anders bij wet bepaalde, heeft Onze verantwoordelijke Minister de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten aanzien van rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan wie door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van een vastgesteld programma rechtstreeks of middellijk een subsidie wordt verstrekt.
2.
Onze Minister kan kennis nemen van jaarrekeningen en daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd.
3.
Indien de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, Onze Minister daartoe aanleiding geven, of een of meer bescheiden ontbreken, is Onze Minister bevoegd bij de betrokken rechtspersoon, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of natuurlijke persoon die een beroep of bedrijf uitoefent daarover nadere inlichtingen in te winnen dan wel inzage in documenten en andere informatiedragers te vorderen, alsmede, mede aan de hand van de administratie van de betrokken rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon voert, een onderzoek in te stellen. Artikel 87, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
De in de voorgaande leden vermelde bevoegdheden zijn gericht op nakoming van de bij of krachtens de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschappen aan de lidstaat opgelegde verplichtingen aangaande beheer, controle of toezicht ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige besteding van de subsidies als bedoeld in het eerste lid.
5.
Onze Minister kan de in dit artikel vermelde bevoegdheden uitoefenen zolang als en over de jaren dat de Staat daarbij belang heeft.

Artikel 44a

Zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van deze wet verschaffen aan Onze Minister periodiek informatie over de door hen te leveren en geleverde prestaties.

Hoofdstuk IV. Het liquidemiddelenbeheer en de financiering van rechtspersonen die collectieve middelen beheren

Artikel 45

1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de rechtspersonen, bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, aangewezen die ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen rentedragend aanhouden in 's Rijks schatkist.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de rechtspersonen, bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, aangewezen die ten behoeve van een risico-arm kasbeheer hun liquide middelen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door Onze Minister van Financiën te stellen eisen.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere rechtspersonen met een publieke taak worden aangewezen waarop het eerste of het tweede lid van toepassing is.
4.
Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing ten aanzien van de liquide middelen die niet als collectieve middelen kunnen worden aangemerkt, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de betrokken rechtspersoon worden verantwoord.
5.
De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 47

1.
Onze betrokken Minister is belast met het toezicht op artikel 45, tweede en vierde lid, en op artikel 46.
2.
Een rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor dit toezicht benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen in alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor het toezicht redelijkerwijs nodig is.
3.
Onze Minister kan een rechtspersoon die zich niet houdt aan artikel 45, tweede of vierde lid, of artikel 46, de aanwijzing geven hieraan alsnog te voldoen.

Artikel 48

1.
Onverminderd het bij of krachtens andere wetten bepaalde kunnen de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, met de instemming van Onze betrokken Minister, ten behoeve van de financiering van investeringen, leningen bij Onze Minister van Financiën verkrijgen, indien de investeringen benodigd zijn voor de uitvoering van de bij of krachtens de wet geregelde taken van de rechtspersoon.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.
3.
Indien in enig jaar een rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een lening is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende verplichtingen aan rente en aflossing na te komen, kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.

Artikel 49

1.
Onverminderd het bij of krachtens andere wetten bepaalde kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, aan de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten een rekening-courantkrediet verstrekken.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.
3.
Indien in enig jaar een rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een rekening-courantkrediet is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende verplichtingen aan rente en aflossing na te komen, kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.

Hoofdstuk V. De verantwoording van het rijk

Artikel 51

1.
Onze Ministers leggen na afloop van een begrotingsjaar verantwoording af over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering aan de hand van:
a.
de departementale jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op de begrotingen, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, worden opgemaakt;
b.
de niet-departementale jaarverslagen, zijnde de jaarverslagen die in aansluiting op de begrotingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b tot en met f, worden opgemaakt.
2.
Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, maken daartoe over elk jaar een jaarverslag op. Onze Ministers maken tevens over elk jaar de departementale saldibalans op.

Artikel 52

1.
Een jaarverslag als bedoeld in artikel 51 bestaat uit een verantwoordingsstaat met een daarbij behorende toelichting.
2.
Een departementaal jaarverslag bevat, naast de in het eerste lid bedoelde verantwoordingsstaat, voor de baten-lastendiensten die onder het betrokken ministerie ressorteren, een aparte staat met een daarbij behorende toelichting.
3.
In de aparte staat wordt voor elke baten-lastendienst opgenomen:
a.
het totaal van de gerealiseerde baten en van de gerealiseerde lasten;
b.
het gerealiseerde saldo van baten en lasten;
c.
het totaal van de gerealiseerde kapitaaluitgaven en van de gerealiseerde kapitaalontvangsten.

Artikel 54

1.
De toelichting bij de verantwoordingsstaat biedt per beleidsartikel in elk geval inzicht in de met het beleid samenhangende:
a.
algemene en indien van toepassing nader geoperationaliseerde doelstellingen die zijn nagestreefd en in de mate waarin deze zijn gerealiseerd;
b.
instrumenten die ter bereiking van de doelstellingen zijn ingezet;
c.
meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen;
d.
meerjarige bedragen van de verrichte programma-uitgaven;
e.
meerjarige bedragen van de verrichte apparaatsuitgaven;
f.
meerjarige bedragen van de gerealiseerde ontvangsten;

waarbij voor de onderdelen c tot en met f voor het verslagjaar t ter vergelijking de overeenkomstige ramingen uit de ontwerp-begroting daarnaast worden gesteld. Opmerkelijke verschillen worden toegelicht.

2.
Het meerjarige inzicht dient, uitgaande van jaar t als verslagjaar, betrekking te hebben op de jaren t-4 tot en met jaar t, dat wil zeggen op de periode lopende van vier jaar voorafgaand aan het verslagjaar tot en met het verslagjaar.
3.
In aansluiting op artikel 5, derde lid, bevat een jaarverslag per beleidsartikel de realisatiegegevens met betrekking tot de doeltreffendheidsgegevens, gegevens over de doelmatigheid van beleid, beide al dan niet verkregen uit beleidsevaluatieonderzoeken en de doelmatigheidsgegevens over de apparaatsuitgaven, waarbij deze gegevens geconfronteerd worden met de in de ontwerp-begroting opgenomen ramingen. Opmerkelijke verschillen worden toegelicht.
4.
Indien met toepassing van artikel 5, vierde lid, een begroting een beleidsartikel bevat ten laste waarvan een meerjarige begrotingsreserve wordt aangehouden, biedt het jaarverslag voor dat beleidsartikel inzicht in de gerealiseerde omvang van de reserve, alsmede in de toevoeging en of de onttrekking aan de reserve in het verslagjaar.

Artikel 57

1.
Het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het koninklijk huis bevat in aansluiting op artikel 8, eerste lid, de gerealiseerde uitkeringen aan de leden van dat huis.
2.
Onze Minister, belast met het beheer van een begrotingsfonds, kan besluiten het jaarverslag van het begrotingsfonds op te nemen in een bijlage bij het departementale jaarverslag waarvoor hij verantwoordelijk is.

Artikel 60

1.
Onze Ministers zenden het jaarverslag en de departementale saldibalans waarvoor zij verantwoordelijk zijn, te zamen met de ontwerp-slotwet en het samenvattende rapport, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, aan Onze Minister van Financiën uiterlijk op een door hem te bepalen datum in de maand maart van het jaar volgend op het begrotingsjaar.
2.
Onze Minister van Financiën zendt deze stukken zo mogelijk binnen 14 dagen na ontvangst naar de Algemene Rekenkamer, voorzien van de opmerkingen waartoe deze stukken hem aanleiding geven. Zijn opmerkingen stuurt Onze Minister van Financiën tevens aan Onze betrokken Ministers.
3.
Onze Ministers zenden binnen 14 dagen na de datum, bedoeld in het eerste lid, aan de Algemene Rekenkamer en aan Onze Minister van Financiën een overzicht, waarin per begrotingsartikel de controlebevindingen van de accountantsdiensten zijn opgenomen.

Artikel 63

1.
Ter verlening van decharge door beide Kamers der Staten-Generaal aan Onze betrokken Ministers over het gevoerde financiële beheer in een verslagjaar, zendt Onze Minister van Financiën op de derde woensdag van mei van het jaar volgend op het verslagjaar de door de Algemene Rekenkamer onderzochte departementale en niet-departementale jaarverslagen, alsmede het door de Algemene Rekenkamer onderzochte Financieel jaarverslag van het Rijk aan de Tweede Kamer. Het Financieel jaarverslag van het Rijk wordt tevens aan de Eerste Kamer gezonden.
2.
Indien de derde woensdag van mei valt in een periode waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal in verband met de verkiezing van de leden van die Kamer niet in vergadering bijeenkomt, wordt als datum van inzending van de in het eerste lid bedoelde bescheiden aangehouden de tweede woensdag na de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer.
3.
Gelijktijdig met deze stukken zendt Onze Minister van Financiën in voorkomende gevallen aan de Tweede Kamer een overzicht van de jaarverslagen, van de slotwetsvoorstellen en van de voorstellen van een indemniteitswet die niet uiterlijk op de woensdag, bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid, aan de Tweede Kamer worden gezonden, met de reden daarvan.
4.
In voorkomende gevallen zendt Onze betrokken Minister, in een aanvulling op het betrokken jaarverslag, zijn standpunt inzake het in artikel 89, derde lid, bedoelde bezwaar van de Algemene Rekenkamer zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór de behandeling van het jaarverslag door de Tweede Kamer, aan de Tweede Kamer.

Artikel 64

1.
Decharge aan Onze Ministers wordt verleend aan de hand van de betrokken jaarverslagen door daartoe strekkende uitspraken van elk van de beide Kamers der Staten-Generaal.

Decharge wordt niet eerder verleend dan nadat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 83, derde lid, is ontvangen en het betrokken slotwetsvoorstel, en in voorkomende gevallen een voorstel van een indemniteitswet, is aangenomen.

2.
Nadat de Tweede Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van de decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken.

Het jaarverslag wordt daarop ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

3.
Nadat de Eerste Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken.

Het jaarverslag wordt vervolgens door de voorzitter van de Eerste Kamer aan Onze Minister van Financiën gezonden.

4.
Onze Minister van Financiën doet aan Onze Ministers en aan de Algemene Rekenkamer mededeling van de dechargeverleningen die hebben plaatsgevonden.

Hoofdstuk VI. De accountantscontrole bij het rijk

Artikel 66

1.
Onze Ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarvoor hij verantwoordelijk is, dragen aan de accountantsdienst van hun ministerie de controle op van:
a.
het gevoerde financieel en materieelbeheer;
b.
de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;
c.
de financiële informatie in de jaarverslagen, bedoeld in
artikel 51;
d.
de departementale saldibalansen;
e.
de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.
2.
De accountantsdienst onderzoekt of het financieel beheer, het materieelbeheer en de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid, gesteld in artikel 22, eerste lid, respectievelijk artikel 25, eerste lid, en artikel 26, eerste lid.
3.
Van een jaarverslag onderzoekt de accountantsdienst:
a.
of dit overeenkomstig de verslaggevingsvoorschriften inzake de financiële informatie is opgesteld;
b.
of voldaan is aan de in artikel 58, eerste lid, onder a en b, gestelde eisen.
4.
Van een departementale saldibalans onderzoekt de accountantsdienst:
a.
of deze overeenkomstig de verslaggevingsvoorschriften is opgesteld;
b.
of voldaan is aan de in artikel 59 gestelde eisen.
5.
De resultaten van de controle worden jaarlijks vastgelegd in rapporten die zijn gericht aan Onze betrokken Minister. Het samenvattende rapport bevat, behalve de belangrijkste bevindingen van de controle, een accountantsverklaring omtrent de financiële informatie in het jaarverslag en de saldibalans.
6.
De in het vijfde lid bedoelde accountantsverklaring heeft betrekking op de in de artikelen 58, eerste lid, onder a, en 59 gestelde eisen, alsmede op de naleving van de verslaggevingsvoorschriften inzake de financiële informatie.

Artikel 67

1.
Onze Minister van Financiën draagt aan de accountantsdienst van zijn ministerie het onderzoek op van:
a.
de centrale administratie van 's Rijks schatkist;
b.
het Financieel jaarverslag van het Rijk;
c.
de Saldibalans van het Rijk.
2.
De accountantsdienst onderzoekt:
a.
of de centrale administratie aansluit op de administraties, bedoeld in
artikel 21, tweede lid;
b.
of de centrale administratie voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 26, tweede lid;
c.
of de in het Financieel jaarverslag van het Rijk opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten aansluit op de verantwoordingsstaten die zijn opgenomen in de jaarverslagen, bedoeld in artikel 51;
d.
of het Financieel jaarverslag en de Saldibalans van het Rijk overeenkomstig de voorschriften zijn opgesteld;
e.
of de Saldibalans van het Rijk aansluit op de departementale saldibalansen.
3.
De resultaten van deze onderzoeken worden jaarlijks vastgelegd in een rapport dat is gericht aan Onze Minister van Financiën. Het rapport bevat naast de belangrijkste bevindingen van de onderzoeken een mededeling omtrent de verantwoording van de centrale administratie van 's Rijks schatkist, omtrent het Financieel jaarverslag van het Rijk en omtrent de Saldibalans van het Rijk.

Hoofdstuk VII. De algemene rekenkamer

Paragraaf 1. De samenstelling en de inwendige dienst

Artikel 74

1.
Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
2.
De leden kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46k en 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen« de president van de Algemene Rekenkamer»;
de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vierde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer;
in artikel 46p, vijfde en zesde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer».
3.
Grond voor ontslag is voorts dat het lid handelt in strijd met artikel 73, derde lid.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Paragraaf 2. Het rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek

Artikel 82

1.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt jaarlijks:
a.
het gevoerde financieel en materieelbeheer;
b.
de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;
c.
de financiële informatie in de jaarverslagen, bedoeld in
artikel 51;
d.
de departementale saldibalansen;
e.
de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.
2.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt of het financieel beheer, het materieelbeheer en de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid, gesteld in artikel 22, eerste lid, respectievelijk artikel 25, eerste lid, en artikel 26, eerste lid.
3.
Van een jaarverslag onderzoekt de Algemene Rekenkamer:
a.
of dit overeenkomstig de verslaggevingsvoorschriften inzake de financiële informatie is opgesteld;
b.
of voldaan is aan de in artikel 58, eerste lid, gestelde eisen.
4.
Van een departementale saldibalans onderzoekt de Algemene Rekenkamer:
a.
of deze overeenkomstig de verslaggevingsvoorschriften is opgesteld;
b.
of voldaan is aan de in artikel 59 gestelde eisen.
5.
De Algemene Rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel jaarlijks vast in rapporten.

Artikel 83

1.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt jaarlijks:
a.
de centrale administratie van 's Rijks schatkist;
b.
het Financieel jaarverslag van het Rijk;
c.
de Saldibalans van het Rijk;

op de aspecten, genoemd in artikel 67, tweede lid.

2.
De Algemene Rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel jaarlijks vast in een rapport.
3.
Met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk stelt de Algemene Rekenkamer een verklaring van goedkeuring op.
4.
De verklaring van goedkeuring wordt gegeven onder voorbehoud van de vaststelling van de slotwetten en in voorkomende gevallen onder voorbehoud van de vaststelling van een indemniteitswet.

Artikel 84

1.
De Algemene Rekenkamer zendt haar rapporten en haar verklaring van goedkeuring met betrekking tot het afgelopen verslagjaar op de derde woensdag van mei aan Ons en aan de Staten-Generaal. Het tweede lid van artikel 63 is van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien de Algemene Rekenkamer een onderzoek als bedoeld in artikel 82, eerste lid, respectievelijk artikel 83, eerste lid, op de derde woensdag van mei nog niet heeft afgesloten, zendt zij op die datum een voorlopig rapport over de stand van het betrokken onderzoek. In dat geval zendt zij het definitieve rapport, alsmede de verklaring van goedkeuring zo spoedig mogelijk na.

Artikel 88

1.
Heeft de Algemene Rekenkamer op grond van haar onderzoek, bedoeld in artikel 82, bezwaar met betrekking tot het gevoerde financieel beheer, het materieelbeheer of de verantwoording daarover dan deelt zij dit bezwaar mede aan Onze betrokken Minister.
2.
Binnen een maand na ontvangst van deze mededeling stelt Onze betrokken Minister de Algemene Rekenkamer in kennis van hetgeen tot opheffing van haar bezwaar kan leiden.
3.
Na afloop van deze termijn neemt de Algemene Rekenkamer haar eindbeslissing, waarvan zij mededeling doet aan Onze betrokken Minister.
4.
Indien zij haar bezwaar handhaaft, doet zij hiervan tevens mededeling aan Onze Minister van Financiën.

Paragraaf 3. De overige taken en bevoegdheden

Artikel 91

1.
Onverminderd het anders bij wet bepaalde heeft de Algemene Rekenkamer de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten aanzien van:
a.
naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de Staat het gehele of nagenoeg het gehele geplaatste aandelenkapitaal houdt;
b.
naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, andere dan onder a bedoeld, waarvan de Staat ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, indien daarmede een groter financieel belang is gemoeid dan een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag;
c.
rechtspersonen, commanditaire vennootschappen en vennootschappen onder firma waaraan de Staat of een derde voor rekening of risico van de Staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of garantie heeft verleend;
d.
rechtspersonen voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.
2.
Aan de hand van dossiers, aanwezig bij Onze verantwoordelijke Minister dan wel bij de instelling, bedoeld in het achtste lid, kan de Algemene Rekenkamer kennis nemen van jaarrekeningen, daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd en overige bescheiden, en kan zij bij Onze Minister dan wel die instelling daarover nadere inlichtingen inwinnen.
3.
Indien de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, haar daartoe aanleiding geven, of een of meer bescheiden ontbreken, is de Algemene Rekenkamer bevoegd bij de betrokken rechtspersonen of bij de betrokken commanditaire vennootschappen of vennootschappen onder firma daarover nadere inlichtingen in te winnen dan wel van hen het overleggen van die bescheiden te vorderen.

De Algemene Rekenkamer kan tevens een onderzoek instellen, behalve indien het de vennootschappen betreft, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel De Nederlandsche Bank N.V., tenzij het gaat om de uitoefening van taken uit hoofde van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Pensioen- en spaarfondsenwet, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 en de Wet privatisering FVP. Dit onderzoek geschiedt mede aan de hand van de administratie van de betrokken rechtspersoon of vennootschap dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de rechtspersoon of vennootschap voert.

Onze betrokken Minister wordt door de Algemene Rekenkamer van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis gesteld.

Artikel 87, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.
Indien het vennootschappen betreft, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel De Nederlandsche Bank N.V., geschiedt het vorderen van bescheiden en inwinnen van nadere inlichtingen, bedoeld in het derde lid, door tussenkomst van Onze Minister en heeft het vorderen van bescheiden uitsluitend betrekking op de jaarrekeningen en rapporten, bedoeld in het tweede lid.

De vorige volzin is niet van toepassing op het vorderen van bescheiden en inwinnen van nadere inlichtingen met betrekking tot de taken die De Nederlandsche Bank N.V. uitoefent uit hoofde van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Pensioen- en spaarfondsenwet, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 en de Wet privatisering FVP.

5.
Onverminderd het tweede lid en onverminderd haar bevoegdheid tot eigen onderzoek maakt de Algemene Rekenkamer zoveel mogelijk gebruik van de resultaten van door anderen verrichte controles. Artikel 86, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
De Algemene Rekenkamer kan haar bevoegdheden uitoefenen zolang als en over de jaren dat de Staat daarbij belang heeft dan wel, voor zover het betreft rechtspersonen of commanditaire vennootschappen of vennootschappen onder firma als bedoeld onder d van het eerste lid, zolang als en over de jaren dat het algemeen belang dit vordert.
7.
De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van de bevoegdheid vermeld in het derde lid.
8.
Een instelling die bij of krachtens de wet is belast met het uitoefenen van controle op een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, onder d, licht de Algemene Rekenkamer op door deze aan te geven wijze volledig in omtrent de controlebevindingen en stelt op aanvraag haar controleprogramma aan de Algemene Rekenkamer ter beschikking.
9.
Op aanvraag van Onze verantwoordelijke Minister verstrekt een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma of een instelling als bedoeld in het achtste lid zo spoedig mogelijk aan hem kopieën van brieven aan de Algemene Rekenkamer.
10.
De Algemene Rekenkamer doet Onze betrokken Minister kopie toekomen van de brieven die zij toezendt aan een rechtspersoon, aan een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma of aan een instelling als bedoeld in het achtste lid.
11.
De Algemene Rekenkamer deelt aan Onze betrokken Minister, aan de betrokken rechtspersoon of de betrokken commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma en aan de betrokken instelling als bedoeld in het achtste lid de opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar aanleiding van haar bevindingen van belang acht. Aan Onze Minister kan zij ter zake voorstellen doen.
12.
De Algemene Rekenkamer verstrekt aan Onze Minister van Financiën, Onze betrokken Minister en aan de Staten-Generaal zodanige mededelingen als zij in het algemeen belang nodig oordeelt.
13.
In geval de Algemene Rekenkamer dit in het algemeen belang geboden acht, maakt zij van haar bevindingen melding in een rapport of het verslag, bedoeld in artikel 95, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
14.
Van gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn, maakt de Algemene Rekenkamer in afwijking van het dertiende lid geen melding in een rapport of het verslag, bedoeld in artikel 95, eerste onderscheidenlijk tweede lid. Mededelingen aan de Staten-Generaal als bedoeld in het twaalfde lid die zodanige gegevens of bevindingen bevatten, verstrekt zij ter vertrouwelijke kennisneming.
15.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen en vennootschappen onder firma, bedoeld in het eerste lid, onder c, niet verstaan de ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstellingen.
16.
Dit artikel is niet van toepassing op provincies, gemeenten, rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor zover deze niet bij de wet zijn ingesteld, waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en Kamers van Koophandel en Fabrieken.

Artikel 92

1.
Onverminderd het anders bij wet bepaalde, heeft de Algemene Rekenkamer de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten aanzien van rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan wie door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van een vastgesteld programma rechtstreeks of middellijk een subsidie wordt verstrekt.
2.
Aan de hand van dossiers aanwezig bij Onze verantwoordelijke Minister, kan de Algemene Rekenkamer kennis nemen van jaarrekeningen, daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd en overige bescheiden, en kan zij bij Onze Minister daarover nadere inlichtingen inwinnen.
3.
Indien de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, haar daartoe aanleiding geven, of een of meer bescheiden ontbreken, is de Algemene Rekenkamer bevoegd bij de betrokken rechtspersoon, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of natuurlijke persoon die een beroep of bedrijf uitoefent daarover nadere inlichtingen in te winnen dan wel inzage in documenten en andere informatiedragers te vorderen, alsmede, mede aan de hand van de administratie van de betrokken rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon voert, een onderzoek in te stellen. Onze betrokken Minister wordt door de Algemene Rekenkamer van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis gesteld.

Artikel 87, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.
De in de voorgaande leden vermelde bevoegdheden zijn gericht op oordeelsvorming over het door Onze Minister gevoerde beleid ter nakoming van de bij of krachtens de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschappen aan de lidstaat opgelegde verplichtingen aangaande beheer, controle of toezicht ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige besteding van de subsidies als bedoeld in het eerste lid.
5.
De Algemene Rekenkamer kan de in dit artikel vermelde bevoegdheden uitoefenen zolang als en over de jaren dat de Staat daarbij belang heeft.
6.
Artikel 91, vierde, vijfde, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende en vijftiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
De Algemene Rekenkamer voert overleg met de Europese Rekenkamer teneinde te komen tot afspraken over de te hanteren normen en criteria bij het in dit artikel bedoelde onderzoek en over de wijze van samenwerking met de Europese Rekenkamer.
8.
De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van de bevoegdheid vermeld in het derde lid.

Artikel 96

1.
Onze betrokken Minister voert overleg met Onze Minister van Financiën en met de Algemene Rekenkamer over de bij of krachtens de wet te stellen regels die betrekking hebben op de taken of bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien bij de oprichting van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 34, eerste lid, ten aanzien van deze rechtspersoon taken en of bevoegdheden ontstaan voor de Algemene Rekenkamer.
3.
Onze Minister van Financiën voert overleg met de Algemene Rekenkamer inzake de bij of krachtens deze wet te stellen regels, met uitzondering van de regels, bedoeld in de artikelen 18, eerste lid en 65.
4.
Van de gestelde regels wordt door Onze betrokken Minister mededeling gedaan aan de Algemene Rekenkamer.

Hoofdstuk VIII. Comptabele noodwetgeving

Artikel 97

1.
Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, aan Onze Minister van Financiën de bevoegdheid worden verleend om regels te stellen in afwijking van deze wet en de wetten, bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.
3.
Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.
Een besluit als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

De Gouden Koets  
Voor iedere Nederlander is het koffertje het symbool voor het nieuwe begrotingsjaar.


De financiële verantwoording volgt op de derde woensdag in me. Op gehaktdag.















Statistieken

1999: de eerste 17 uur: 310.000 hits 15.000 unieke bezoekers.

2000:  meer dan een miljoen aanvragen.

2001: verboden door de rechter.

2002: verboden door de rechter.

2003:  prinsjesdag sites  weer vrij gegeven.

2004: sites offline gehackt.

2005: redactie offline gehackt.

2006: na het zuur komt het zoet,

2007: heel veel bezoekers








© Unit 2 Uitgevers. Alle rechten voorbehouden. De internetpublicaties van of vanwege de Overheid zijn te vinden op www.overheid.nl.